ABA-onderzoek

Onderzoek naar ervaringen met ABA-therapie

Het onderzoek naar de ervaringen met Applied Behavior Analysis (ABA) therapie in Nederland is inmiddels afgerond. De opdrachtgever (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft het rapport bekeken. Op vrijdag 12 april is het rapport door VWS doorgestuurd aan de Tweede Kamer.

Dit betekent dat het rapport door ons openbaar gemaakt mag worden. Het rapport is hier te lezen: ABA-rapport

Het onderzoek had als doel inzicht te verkrijgen in zowel positieve als negatieve ervaringen van mensen met autisme, ouders en zorgprofessionals die in aanraking zijn gekomen met ABA-therapie. Hiernaast wilden wij beter in kaart brengen welke vormen van ABA er worden aangeboden in Nederland.

Voor vragen kunt u mailen naar info@nederlandsautismeregister.nl

Aanleiding

Applied Behavior Analysis (ABA) is een verzamelnaam voor een behandelvorm voor kinderen met autisme. In de afgelopen jaren is er in Nederland steeds meer kritiek gekomen op ABA. De kritiek richt zich met name op het vermeende streven naar ‘normaliteit’ en het gebruik van dwang en straffen. Begin 2023 ontstond er een discussie op sociale media over ABA naar aanleiding van kritische berichten van het LBVSO (Leerlingen Belang Voortgezet Speciaal Onderwijs). Het LBVSO ontving uiteenlopende klachten over ABA, variërend van lichamelijk straffen van kinderen tot het ervaren van mentale klachten na de behandeling.In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is hier onderzoek naar gedaan. Het onderzoek gaat over de ervaringen met ABA bij autistische volwassenen, ouders en zorgverleners. Deze ervaringen werden verzameld via focusgroepen (groepsbesprekingen) en vragenlijsten.

De resultaten

Er werden verschillende ABA-methoden gerapporteerd, voornamelijk bij kinderen. De meest voorkomende methodes waren Applied Behavior Analysis, Pivotal Response Treatment, Parent Management Training en Vroegtijdige Gedragsinterventie. De duur en intensiteit van de behandelingen varieerde. Deze behandelingen werden gestart vanwege diverse problemen, zoals sociale communicatieproblemen, taal- en communicatieachterstanden, zintuiglijke verwerkingsproblemen, aandachtsproblemen en zindelijkheidsproblemen. Behandelingen werden vaak gegeven door gedragsdeskundigen, orthopedagogen, psychologen en pedagogisch medewerkers. Hoewel zorgprofessionals aangaven dat ouders vaak betrokken waren, was dit niet altijd het geval volgens bijna een kwart van de volwassenen met autisme en hun ouders/vertegenwoordigers.

Uit de focusgroepen kwamen zes hoofdthema’s naar voren: de theorie en definitie van ABA, toepassing van ABA, positieve ervaringen, zorgen over ABA, het zorglandschap en kwaliteitscontrole. Hoewel ABA over het algemeen werd erkend als een wetenschappelijk onderbouwde interventie, bestonden er zorgen over de interpretatie en correcte toepassing. Volgens de deelnemers zouden in de behandeling geen straffen gebruikt moeten worden en beloningen zouden betekenisvol moeten zijn voor het kind. Ondanks gemelde positieve resultaten, uitten sommige deelnemers zorgen over de intensiteit en mogelijke psychische belasting en gevolgen van ABA-behandelingen, waaronder angst en vertrouwensproblemen. Terwijl sommige volwassenen met autisme en ouders pleitten voor een verbod op ABA, benadrukten andere ouders en zorgprofessionals de noodzaak van een persoonlijke aanpak die rekening houdt met individuele behoeften, uitvoeringskwaliteit en ethiek.

Over het algemeen waren autistische volwassenen vaker negatief over de ABA-behandelingen dan ouders, wettelijke vertegenwoordigers en zorgprofessionals. Zo gaven zij de ABA-behandeling gemiddeld een 4,9 terwijl ouders en wettelijk vertegenwoordigers gemiddeld een 6,9 gaven. Volwassenen met autisme die de behandeling langer geleden hadden gevolgd waren minder tevreden. Volwassen met autisme zeiden vaker dan ouders/vertegenwoordigers dat de ABA-behandeling een negatieve invloed had op hun zelfbeeld/zelfvertrouwen, dagelijks functioneren en de ouder-kindrelatie. Ouders en vertegenwoordigers zeiden vaker dan volwassenen dat de behandeling een positieve invloed had op het zelfbeeld/zelfvertrouwen van hun kind, dagelijks functioneren en de ouder-kindrelatie. Onder de deelnemers zonder persoonlijke ABA-ervaring was een groter deel negatief dan positief. Er was geen significant verschil in tevredenheid over verschillende ABA-methodes (zoals PRT of DTT).

Voor meer informatie verwijzen wij u naar het rapport.

De onderzoekers

  • Prof. dr. Sander Begeer, hoogleraar Klinische Ontwikkelingspsychologie, Vrije Universiteit Amsterdam, en medeoprichter van het Nederlands Autisme Register (NAR).
  • dr. Anke Scheeren, assistent professor, Klinische Ontwikkelingspsychologie, Vrije Universiteit Amsterdam
  • Kim Jonkman, MSc, Klinische Ontwikkelingspsychologie, Vrije Universiteit Amsterdam
  • Bart Sloot, MSc, Klinische Ontwikkelingspsychologie, Vrije Universiteit Amsterdam
  • Charlotte den Hartog, MSc, Klinische Ontwikkelingspsychologie, Vrije Universiteit Amsterdam